DRG Baureihe 03

Aantal 298
Nummering DRG 03 001-298
zie tekst
Fabrikant Borsig in Berlijn
L. Schwartzkopff in Tegel
Berliner Maschinenbau in Berlijn
Friedrich Krupp AG in Essen
Henschel in Kassel
In dienst 1930-1939
Uit dienst 1980 …
Asindeling 2’C1′ + 2′ 2′ h2 (Pacific)
Spoorwijdte (normaalspoor) 1.435 mm
Massa 99,6 ton (03 001-122)
100,3 ton (03 123-298)
Aslast 17,7 ton (03 001-162)
18,1 ton (03 163-298)
Lengte over buffers 23.90 m
Breedte 3.05 m
Hoogte 4.55 m
Maximumsnelheid 120 km/h (03 001-162)
130 km/h (03 163-298)
50 km/h, achter uit
Aandrijving mechanisch
Vermogen 1450 kW
Treinbeïnvloeding Indusi
Remsysteem mechanisch
Keteldruk maximaal 16 bar

De Baureihe 03, was een serie stoomlocomotieven die gebouwd zijn voor de Deutsche Reichsbahn Gesellschaft volgens het conceptplan Einheitsdampflokomotiven, een meerjarenplan voor de bouw van verschillende gestandaardiseerde stoomlocomotieven.

Geschiedenis

De locomotieven van de serie 03 zijn gebouwd tussen 1930 en 1938 als sneltreinlocomotieven met een asdruk tot 18 ton. Hierdoor waren de locs geschikt voor secundaire baanvakken met een lichte bovenbouw. De constructie van deze locomotief heeft veel overeenkomsten met de constructie van de zwaardere serie 01 met een asdruk van 20 ton. Machinisten spraken daarom weleens over de locs als een “lichte 01”. Er werden in totaal 298 locomotieven gebouwd door de volgende bedrijven:

  • Borsig
  • Krupp
  • Henschel
  • Schwartzkopff tot 1932
    • Berliner Maschinenbau AG na 1932

Na de oorlog waren er 145 locomotieven bij de Deutsche Bundesbahn(DB) en 86 locomotieven bij de Deutsche Reichsbahn (DR). De 34 locomotieven die in Polen achterbleven werden door de Polskie Koleje Państwowe (PKP) als Pm2 ingedeeld.

Constructie en techniek

De locomotief heeft een stalen barframe en net als de serie 01 een asindeling van 2’C1′, dus voor een loopdraaistel met twee loopassen, dan drie aangedreven en gekoppelde assen en achter nog een beweegbare loopas. De ketel was duidelijk iets smaller dan die van de serie 01. De twee cilinders dreven de tweede gekoppelde as aan. Ze waren gekoppeld aan een eenheidstender van het type T30, T32 of T34.

Gekoppeld aan een tender T30 of T32 kwamen de locs tot aan het begin van de jaren zestig met personen- en D-treinen in Arnhem, de draaischijf aldaar was te klein om locs te keren die gekoppeld waren aan de grote tender type T34.

Net als bij de serie 01, waaruit de serie 01.10 werd ontwikkeld, stond deze serie model voor het ontwerp van een iets snellere versie met 3 cilinders wat zou resulteren in de serie 03.10.

In 1968 werd de serie in principe omgenummerd in 003, maar omdat de afvoer van deze locs toen al in volle gang was behielden een paar locs hun oorspronkelijke nummer. Vanuit depot Ulm reden de laatste locs in 1971 nog enkele lichte snel- en personentreinen.

Nummers

De volgende locomotieven zijn bewaard gebleven:

Lijst van de 03
Nummer
DRG
Eigenaar
na 1945
Nummer
na 1968 / 1970
Huidige eigenaar Standplaats Opmerkingen
03 001 DR 03 2001-0 DR Bw Dresden-Altstadt
03 002 DR 03 2002-8 EM Rügen EM Prora (Rügen)
03 098 DR 03 2098-0 TM TM Speyer
03 131 DB 003 131-0 DDM DDM Neuenmarkt
03 155 DR 03 2155 Wedler & Franz GbR (WFL) EM Dieringhausen
03 188 DB 003 188 VM Nürnberg Kirchheim Standbeeld locomotief
03 204 DR 03 2204 LDC Bw Cottbus
03 243 DR 03 2243 DLW Meiningen DLW Meiningen
03 295 DR 003 2295 privé EM Augsburg
  • (stand 2011)

Treindiensten

Deze locomotieven werden hoofdzakelijk gebruikt voor het personenvervoer.

Modellen

Diverse modelfabrikanten hebben of hadden een model in de schalen HO en N van de baureihe 03 in hun programma. Van de jaren 50 tot ’60 waren dit veelal ruwe metalen modellen. Van de HO-modellen zijn die van Fleischmann en Märklin door hoogwaardig spuitgietwerk zeer getrouwe schaalmodellen.

Foto’s

nl Nederlands
X
Help-Desk